Wat zijn de criteria van een paniekstoornis in de DSM-5?

Het belangrijkste criterium van een paniekstoornis is terugkerende, onverwachte paniekaanvallen. Een paniekaanval is een plotselinge toename van hevige angst of intens ongemak dat een piek bereikt binnen een aantal minuten en gedurende deze minuten gekenmerkt wordt door vier (of meer) van de volgende symptomen:

  1. Hartkloppingen, bonzend hart of versnelde hartslag
  2. Zweten
  3. Trillen of schudden
  4.  Sensaties van kortademigheid of verstikking
  5. Gevoel hebben dat je stikt
  6. Pijn of ongemak op de borst
  7. Misselijkheid of buikpijn
  8. Duizelig voelen, onstabiel, licht in het hoofd of gevoel van flauw vallen.
  9. Rillingen of warmte sensaties
  10. Paresthesie├źn (gevoelloosheid of tintelingen)
  11.  Derealisatie (gevoel van onwerkelijkheid) of depersonalisatie (die los van zichzelf zijn).
  12. Angst voor verliezen van controle of gek worden.
  13. Angst om te sterven

Uniek kijkje in het hoofd van iemand die continu bang is om dood te gaan, met humor en zelfspot geschreven en met een positieve afloop.

Lees verder

Tenminste een van de aanvallen volgt binnen een maand of is een van de volgende:

  • Aanhoudende bezorgdheid of zorgen over extra paniekaanvallen of de gevolgen daarvan (zoals de controle verliezen, het hebben van een hartaanval of gek worden)
  • Een belangrijk, onaangepaste gedragsverandering in verband met de aanvallen (bijv. gedrag om een paniekaanval te voorkomen, zoals vermijden van lichaamsbeweging of onbekende situaties).

De verstoring is niet het gevolg van fysiologische effecten van een middel (bijv. drugs of medicatie) of een andere medische conditie (bijv. hyperthyroïde, hartziekten). De stoornis wordt niet beter verklaard door een andere psychische stoornis (bijv. de paniekaanvallen komen niet alleen voor als reactie op een sociale situatie, zoals in de sociale angststoornis; als reactie op omschreven fobische objecten of situaties, zoals bij de specifieke fobie; in reactie op obsessies, zoals bij OCD, in reactie op herinneringen aan traumatische gebeurtenissen, zoals bij PTSS; of in reactie op scheiding van belangrijke gehechtheidsfiguren, zoals bij de separatieangststoornis).